Wijziging Nederlandse Vakantiewetgeving
19-Jul-2011 In 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) uitspraak gedaan over de uitleg van artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG. In deze richtlijn worden regels gesteld aangaande de arbeids- en rusttijden met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Artikel 7 van deze richtlijn geeft aan welke norm in acht genomen moet worden ten aanzien van de minimum vakantierechten. De uitleg die het HvJEG geeft, strookt niet met de wijze waarop in het Burgerlijk Wetboek (BW) in Nederland de opbouw van de minimumvakantie bij arbeidsongeschikten tot op heden is geregeld. Door de uitspraken van het HvJEG is een wijziging van de bepalingen van het BW betreffende de opbouw van minimum vakantieaanspraken bij arbeidsongeschiktheid noodzakelijk teneinde de Nederlandse wet- en regelgeving in overeenstemming te brengen met de uitleg van het HvJEG. De voormalig Minister van Sociale Zaken, de heer Donner, en de voormalig Minister van Justitie, de heer Hirsch Ballin, hebben daarom een wetsvoorstel gedaan, waarin de opbouw van minimum vakantieaanspraken bij ziekte én enkele andere bepalingen omtrent vakantiewetgeving worden gewijzigd. Inmiddels heeft de Eerste Kamer op 24 mei 2011 ingestemd met het wetsvoorstel, waardoor de vakantiewetgeving in Nederland per 1 januari 2012 wijzigt. De wijzigingen hebben betrekking op de volgende onderwerpen, welke hieronder verder zullen worden toegelicht:
- Opbouw van vakantie bij ziekte
- Opnemen van vakantie bij ziekte
- Vervaltermijn.
Wettelijke- en bovenwettelijke vakantiedagen
In Nederland wordt er onderscheid gemaakt tussen wettelijke- en bovenwettelijke vakantiedagen. De wettelijke minimumvakantie bedraagt vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week. Een werkgever is verplicht de werknemer ieder jaar in de gelegenheid te stellen de wettelijke vakantiedagen op te nemen. Het doel en belang van vakantieopname is tijdige recuperatie, herstellen c.q. uitrusten van de verplichtingen die een dienstbetrekking met zich meebrengt, dit met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Naast de minimum wettelijke vakantiedagen bestaan er ook zogenoemde bovenwettelijke vakantiedagen. Dit zijn extra vakantiedagen bovenop de wettelijke vakantiedagen waar een werknemer op basis van een individuele arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsovereenkomst (cao) aanspraak op kan maken.
Opbouw van vakantie bij ziekte
Tot nu toe gold dat een arbeidsongeschikte werknemer, in afwijking van een arbeidsgeschikte werknemer, slechts vakantie opbouwde gedurende de laatste zes maanden tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1 januari 2012 wordt er geen onderscheid meer gemaakt in opbouw van minimum vakantierechten voor zieke en gezonde werknemers. De beperkte opbouw van vakantierechten voor arbeidsongeschikte werknemers wordt geschrapt. Zieke werknemers krijgen daardoor dezelfde aanspraken op wettelijke vakantiedagen als andere werknemers. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen die in de individuele of collectieve overeenkomst wordt overeengekomen, kunnen afwijkende afspraken worden gemaakt betreffende de opbouw bij ziekte.
Opnemen van vakantie bij ziekte
De huidige vakantiewetgeving sluit vakantieopname tijdens ziekte niet uit, maar in de praktijk komt dit nagenoeg niet voor, omdat de huidige beperkte opbouw van vakantieaanspraak in geval van arbeidsongeschiktheid in beperkte mate de mogelijkheid geeft om ook tijdens langdurige ziekte gebruik te maken van de minimum vakantierechten. Volgens het wetsvoorstel is voor (gedeeltelijk) zieke werknemers het opnemen van vakantie echter evenzeer van belang, omdat de recuperatiefunctie van vakantie ook voor zieke werknemers – die in beginsel gehouden zijn tot reïntegratie – betekenis heeft. De verplichting van de werkgever om de werknemers in de gelegenheid te stellen om zijn minimum vakantierechten op te nemen geldt dan ook voor alle werknemers, ook voor zieke werknemers. Tegenover een volledige opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte, staat dat als vakantie wordt opgenomen, ook over de volledige contractuele arbeidsduur vakantiedagen wordt opgenomen en daarmee worden afgeschreven van het vakantiedagensaldo. Bij de zieke werknemer die gedeeltelijk zijn eigen werk kan verrichten, zal daarom bij het opnemen van de minimumvakantie de vakantiedagen voor de gehele arbeidsduur in mindering gebracht kunnen worden op de minimum vakantiedagen.
Vervaltermijn
Om te bevorderen dat alle gezonde, volledig arbeidsongeschikten en reïntegrerende werknemers in het belang van hun veiligheid en gezondheid daadwerkelijk met regelmaat en tijdig recupereren door vakantie op te nemen, is er een nieuwe vervaltermijn opgenomen in de wetswijziging. Daarmee kan worden voorkomen dat het opnemen van vakantie voor meerdere jaren wordt uitgesteld, met mogelijke gevolgen van uitval wegens overbelasting. De nieuwe vervaltermijn voor de wettelijke minimumvakantiedagen bedraagt zes maanden. Concreet betekent een vervaltermijn van zes maanden dat alle werknemers binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de minimumaanspraak is verworven, hun (resterende) minimum vakantieaanspraken moeten effectueren. Van de vervaltermijn mag ten gunste van de werknemer wel worden afgeweken in een individuele arbeidsovereenkomst of cao. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft de reeds bestaande vervaltermijn van vijf jaar gelden.
Met een vervaltermijn blijft het uitgangspunt onverlet dat de werkgever de vakantie vaststelt conform de wensen van de werknemer. De werkgever kan dus niet eenzijdig de vakantieperiode voor de (zieke) werknemer vaststellen zonder zijn instemming. Met inachtneming van het uitgangpunt dat een werknemer zelf bepaalt wanneer hij vakantie opneemt, wordt met een vervaltermijn gestimuleerd dat alle werknemers, ook volledig arbeidsongeschikte werknemers en werknemers die reïntegreren, daadwerkelijk tijdig hun minimum vakantierechten effectueren. Minimum vakantiedagen, die voor het verstrijken van deze vervaltermijn niet worden opgenomen, vervallen.
Uitzondering
Er zijn situaties denkbaar dat de werknemer niet in staat is geweest om de minimumvakantie op te nemen. Bijvoorbeeld een werknemer die gedurende het hele opbouwjaar en de daarop volgende zes maanden om medische redenen of in verband met andere bijzondere omstandigheden niet in staat is geweest om zijn minimum vakantierecht te benutten. In dat geval mogen de minimum vakantieaanspraken niet vervallen. Op het moment dat een werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest om zijn minimumvakantie op te nemen, geldt er een uitzondering. De werknemer zal in dat geval zijn minimumvakantie op een later tijdstip alsnog moeten kunnen opnemen. Voor deze vakantierechten blijft de verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing. Wat exact redelijkerwijs niet in staat zijn geweest het minimum aantal vakantiedagen op te nemen inhoudt, zal de jurisprudentie te zijner tijd uitwijzen.
De vervaltermijn is van toepassing op minimum vakantiedagen die vanaf de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging, per 1 januari 2012, worden opgebouwd. De vóór de datum van inwerkingtreding van de wijziging opgebouwde vakantierechten vallen hier buiten, daarvoor blijft de vervaltermijn van vijf jaar gelden.
Bij de huidige vakantieregels worden de oudst opgebouwde dagen als eerste afgeboekt. Hiermee wordt voorkomen dat de werknemer verlofdagen zou zien verjaren. Bij de nieuwe vakantiewetgeving is dit niet langer van toepassing. Minimumvakantiedagen die worden opgebouwd onder de nieuwe regels, vervallen straks eerder dan dagen die onder de oude regels zijn opgebouwd en nieuw opgebouwde bovenwettelijke vakantiedagen. Het is dus verstandig om eerst de dagen aan te spreken die als eerste vervallen.
De nieuwe wetgeving brengt twee grote veranderingen met zich mee:
- Vanaf 1 januari 2012 bouwt een arbeidsongeschikte werknemer ook volledig zijn wettelijke vakantiedagen op, in tegenstelling tot de huidige situatie waarin hij slechts over de laatste zes maanden van zijn arbeidsongeschiktheid vakantiedagen opbouwt.
- Vanaf 2012 vervallen de minimale wettelijke vakantiedagen zes maanden na het kalenderjaar waarin zij zijn opgebouwd.
Voorbeelden opbouw bij arbeidsongeschiktheid voor 2012 en na 2012:
Ook voor arbeidsongeschikte werknemers blijft tot en met 31 december gelden dat enkel over de laatste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid vakantiedagen worden opgebouwd. Enkele voorbeeldsituaties. Werknemers bij bedrijf X hebben recht op 24 vakantiedagen: 20 wettelijk minimum 4 bovenwettelijk:
- Werknemer is arbeidsongeschikt van 1 april 2011 tot 1 januari 2012: er worden vakantierechten opgebouwd over de laatste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid, dan geldt daarmee dat er opgebouwd wordt over de periode van 1 juni tot en met 31 december 2011. Werknemer bouwt in dat jaar op gedurende de maanden januari, februari, maart en juli tot en met december, 9 maanden x 2 = 18 dagen.
- Werknemer is arbeidsongeschikt van 1 april 2011 tot en met 1 april 2012: voor de periode tot en met 31 december 2011 geldt nog de regel van opbouw van vakantierechten over de laatste zes maanden van de arbeidsongeschiktheid, dus opbouw over de periode 1 oktober tot en met 31 december 2011. Vanaf 1 januari 2012 bouwt werknemer volledig zijn vakantierechten op, ondanks arbeidsongeschiktheid. Gedurende zijn gehele arbeidsongeschiktheidsperiode bouwt hij over zes maanden vakantiedagen op. Werknemer bouwt in de nieuwe situatie gedurende het gehele jaar het wettelijk minimum aan vakantierechten op en daarmee dus 20 dagen.
Tot slot
Door de wijziging van de vakantiewetgeving zullen werkgevers aandacht aan hun verlofregistratiesysteem moeten schenken. Er dient immers een onderscheid te worden gemaakt tussen het opnemen van de wettelijke minimumvakantiedagen met een verval- of verjaringstermijn, en het opnemen van bovenwettelijke vakantiedagen met een verjaringstermijn. Tot 1 januari 2012 hebben werkgevers de tijd om het verlofregistratiesysteem op orde te brengen.
Vervaltermijn
Ook gaat per 1 januari 2012 een vervaltermijn voor wettelijke vakantiedagen gelden. Dat betekent dat de wettelijke vakantiedagen zullen moeten worden genoten binnen zes maanden na het jaar waarin ze zijn opgebouwd. Zowel voor (gedeeltelijk) zieke werknemers als gezonde werknemers is het immers van belang om regelmatig en tijdig vakantie op te nemen. Dat komt de veiligheid en de gezondheid van de werknemers ten goede.
Vervaltermijn niet van toepassing
De vervaltermijn geldt alleen niet voor die werknemers die redelijkerwijs niet in de gelegenheid zijn geweest vakantie op te nemen. Je kunt dan denken aan de volledige arbeidsongeschikte werknemer of een werknemer die in verband met bijzondere omstandigheden niet in staat is geweest (voldoende) vakantie op te nemen.
‘Oude vakantiedagen’
De vervaltermijn is alleen van toepassing op wettelijke vakantiedagen die na invoering van het wetsvoorstel (dus 1 januari 2012) zijn opgebouwd. Deze dagen zullen door de vervaltermijn eerder komen te vervallen dan de ‘oude’ vakantiedagen, waarvoor nog een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Dat vond de regering onwenselijk. Daarom geldt dus vanaf 1 januari 2012 dat eerst de vakantiedagen zullen worden opgenomen waarvoor de vervaltermijn van zes maanden geldt en daarna pas de vakantiedagen met een verjaringstermijn van vijf jaar.
Deugdelijke administratie
Vanwege het onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen en dagen voor invoering van het wetsvoorstel en daarna, is een deugdelijke vakantiedagenadministratie voor de werkgever een must!