Gebruikelijkheidstoets binnen de vrije ruimte (WKR) nader vormgegeven

Door Jasper van den Bergen - 2 december 2019 - Leestijd: 2 Minuten

Wet- en regelgeving

De tijd dat werknemers enkel een bruto loon ontvingen als tegenprestatie voor hun arbeid, ligt ver achter ons. Om competitief te zijn op de arbeidsmarkt bieden werkgevers vaak steeds creatievere beloningsvormen aan. Zo ontstaan beloningspakketten die perfect aansluiten op de behoeften van werknemers. Deze diversiteit maakt de fiscale kwalificatie van een beloning vaak complex. 

Om duidelijkheid te scheppen in de wirwar van regels rondom vergoedingen en verstrekkingen is enkele jaren geleden de werkkostenregeling (WKR) ingevoerd. Een belangrijk begrip binnen deze regeling is het gebruikelijkheidscriterium. Aan dit criterium is door de Hoge Raad nadere invulling gegeven in een zaak waarbij een selecte groep werknemers een omvangrijk pakket aandelen krijgt toegekend. De nettowaarde van de in 2012 toegekende aandelen bedraagt 311.790 euro en de nettowaarde van de in 2013 toegekende aandelen bedraagt 121.600 euro. De werkgever plaatst de aanzienlijke waarde van de aandelen in de vrije ruimte van de WKR. Omdat deze niet toereikend is, betaalt de werkgever over het meerdere 80% eindheffing (249.432 euro voor 2012 en 97.280 euro voor 2013). Maar doorstaat deze toekenning van aandelen de gebruikelijkheidstoets wel? 

Het uitgangspunt van de WKR

Het uitgangspunt van de WKR is dat alle vergoedingen en verstrekkingen tot het loon behoren. Ook in die gevallen dat de vergoeding of de verstrekking naar algemene opvattingen niet als loon wordt ervaren. Het gebruikelijkheidscriterium dient ervoor om oneigenlijk gebruik te beperken en extreme situaties te voorkomen. Hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de situatie dat de vrije ruimte slechts toekomt aan één of slechts enkele werknemers of de situatie dat de vrije ruimte wordt gebruikt om het toptarief in de loonbelasting te omzeilen.

Bewijslast rust op de Belastingdienst

De bewijslast om aan te tonen dat iets ongebruikelijk is, rust op de inspecteur van de Belastingdienst, aldus de Hoge Raad. Deze zal aannemelijk moeten maken dat niet wordt voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium. Voor vergoedingen en verstrekkingen die op jaarbasis per werknemer een bedrag van 2.400 euro niet te boven gaan, wordt uit doelmatigheidsoogpunt ervan uitgegaan dat deze gebruikelijk zijn. Het simpelweg overstijgen van dit bedrag is onvoldoende om te bewijzen dat iets ongebruikelijk is. 

Wanneer ongebruikelijk

Vergoedingen en verstrekkingen zijn pas ongebruikelijk indien deze in belangrijke mate (oftewel 30%) hoger zijn dan gebruikelijk is in vergelijkbare omstandigheden. De inspecteur moet dit onderbouwen aan de hand van relevante feiten en omstandigheden. Hierbij moeten vergelijkingen worden gemaakt met aanwijzingen binnen de werkkostenregeling bij andere werknemers van de werkgever, bij andere werknemers van de werkgever met dezelfde functie en met werknemers bij andere werkgevers.

De zaak is verwezen naar Gerechtshof Den Haag voor een inhoudelijke beoordeling en beslissing. Gelet op de inhoud van het arrest van de Hoge Raad ligt het wellicht meer voor de hand dat deze in het voordeel van de werkgever zal beslissen.

Gerelateerde artikelen

refresh Meer artikelen