Tijdelijke vrijstelling RVU-heffing

Door Jilly El Moridi - 9 maart 2021 - Leestijd: 4 Minuten

Wet- en regelgeving

Als werkgever kun je niet zomaar een regeling met een werknemer treffen over vervroegde pensionering, ook niet wanneer dit op verzoek van een werknemer is. Als een werkgever een werknemer een overbruggingsuitkering tot aan de pensioendatum aanbiedt, wordt een dergelijke regeling sinds 1 januari 2005 beschouwd als een Regeling Vervroegde Uittreding (hierna: RVU). Van een RVU-risico is niet alleen sprake wanneer een werknemer een som geld ontvangt, ook wanneer een werknemer wordt vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van loon tot zijn pensioen kan dit kwalificeren als een RVU. Wordt een overbruggingsuitkering of vrijstelling van werk gezien als een RVU, dan werd dit tot voor kort standaard belast met een extra belastingheffing van 52%. Deze belastingheffing kwam boven op de reguliere loonheffingen. Hierdoor werden werkgevers ontmoedigd om met werknemers afspraken te maken over vervroegde pensionering. 

RVU-vrijstelling

De Eerste Kamer heeft op 12 januari 2021 een wetsvoorstel inzake de RVU-vrijstelling aangenomen. Hierin staat beschreven dat - onder voorwaarden - de genoemde extra belastingheffing van 52% niet langer van toepassing is. Door middel van de RVU-vrijstelling zijn de mogelijkheden voor werkgevers verruimd om een werknemer vervroegd met pensioen te kunnen laten gaan.

Zo wordt het mogelijk voor werknemers te stoppen met werken voordat zij de stijgende AOW-leeftijd bereiken. Een reden daarvoor kan zijn dat zij het werk fysiek niet langer volhouden. 

De voorwaarden voor de RVU-vrijstelling zijn als volgt:

  • de uitkering dient plaats te vinden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025;
  • de RVU-vrijstelling geldt voor de periode van maximaal 36 maanden direct voorafgaand aan de AOW-leeftijd. Gaat de uitkering minder dan 36 maanden voor de AOW-leeftijd in, dan geldt de vrijstelling alleen nog voor de resterende maanden;
  • de RVU-vrijstelling bedraagt maximaal een bedrag dat, na vermindering van loonbelasting en premie volksverzekeringen, gelijk is aan het nettobedrag van de AOW-uitkering voor alleenstaande personen zoals dat geldt op 1 januari van het jaar waarin de uitkering plaatsvindt. In 2021 is dat € 1.847 per maand en daarmee € 66.492 voor 36 maanden;
  • er is (nog steeds) een reguliere RVU-heffing van 52% verschuldigd, wanneer je als werkgever eerder dan 36 maanden direct voorafgaand aan de AOW-leeftijd een vergoeding in het kader van een RVU uitbetaalt. Daarnaast ben je ook over het gedeelte van het bedrag dat boven de RVU-vrijstelling uitkomt, je als werkgever de reguliere RVU-heffing verschuldigd.
  • deelname aan een vroegpensioenregeling gebeurt altijd vrijwillig, een werknemer kan hiertoe dus niet gedwongen worden. 

Voorbeeld

Stel er is sprake van een drempelvrijstelling van € 1.847, - per maand en een werknemer bereikt op 20 juni 2024 de AOW-leeftijd. De werknemer ontvangt op 1 juli 2021 een eenmalige RVU-uitkering van de werkgever. De periode tussen het ontvangen van de RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijd bedraagt 35 maanden en 19 dagen. Deze periode mag op hele maanden naar boven worden afgerond, zodat 36 maanden in aanmerking worden genomen voor de drempelvrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 66.492, - (36 maanden maal € 1.847, -). Voorheen was een werkgever over dit bedrag 52% eindheffing verschuldigd. Dat is met deze vrijstelling tijdelijk niet meer aan de orde.

Periode en uitloopperiode

Gedurende de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025 geldt de RVU-vrijstelling. Op basis van overgangsrecht geldt voor de jaren 2026 tot en met 2028 onder de hierna genoemde voorwaarden een uitloopperiode. Indien een RVU uiterlijk op 31 december 2025 schriftelijk is overeengekomen en de werknemer heeft de leeftijd bereikt die (maximaal) 36 maanden vóór de AOW-leeftijd ligt, kunnen op basis van overgangsrecht hieruit nog uitkeringen worden gedaan in de jaren 2026 tot en met 2028 met gebruikmaking van de RVU-vrijstelling.

Vastlegging afspraken

Werkgevers doen er goed aan een interne regeling op te maken over de toepassing van deze vrijstelling. Daarin kunnen de uitgangspunten en randvoorwaarden worden uitgewerkt, zodat voor iedere werknemer duidelijk is wie onder welke voorwaarden van de regeling gebruik kan maken. 

Om te voorkomen dat de Belastingdienst onverhoopt toch van mening is dat een regeling niét onder de RVU-vrijstelling valt, is het mogelijk om voorafgaand aan het ingaan van de regeling, de belastinginspecteur te verzoeken de regeling te beoordelen. De belastinginspecteur dient dan te  bevestigen dat in het kader van de vroegpensioenregeling, geen extra belasting is verschuldigd. 

Wil je meer weten over de RVU-vrijstelling of hulp bij het opstellen van een vroegpensioenregeling? Neem dan contact op met één van onze juristen via taxandlegal_nl@sdworx.nl.

 

Gerelateerde artikelen

refresh Meer artikelen